logo
 Organisatie   Activiteiten   Publicaties   Opinie   Agenda   Partners   Archief   English   
Over de EVS - Geschiedenis van de EVS

De Evert Vermeer Stichting is een neveninstelling van de PvdA en opgericht in 1967. De ontstaansgeschiedenis van de EVS is nauw verbonden met de opkomst van internationale solidariteit binnen de PvdA en de rol die ontwikkelingssamenwerking is gaan spelen in de Nederlandse samenleving. Om het ontstaan van de EVS te kunnen plaatsen, is het dan ook belangrijk eerst in te gaan op enkele van deze ontwikkelingen. 
Alhoewel de PvdA al sinds haar oprichting in 1946 het belang van internationale solidariteit benadrukte, was ook zij in deze tijd hoofdzakelijk bezig met het oplossen van de problemen in eigen land. Een uitzondering hierop waren de PvdA leden C.L. Patijn, die de ECOSOC delegaties van Nederland leidde in 1947 en 1948 en de latere Nobel-rijs winnaar Jan Tinbergen, die al in 1945 aandacht vroeg voor de enorme armoede in minder ontwikkelde delen in de wereld.
 
Na het verlies van Indonesië kreeg Nederland vanaf 1949 meer interesse in minder ontwikkelde landen, waarmee zij hoopte op een nieuwe rol in de wereldpolitiek. Het Point-Four-programma, waarin de Amerikaanse president Truman pleitte voor meer technische en financiële hulp voor minder omwikkelde landen, werd door de PvdA voor het grootste deel ondersteund. Alleen pleitte zij voor meer multilaterale handel in plaats van de bilaterale benadering van Truman. In dat zelfde jaar werd de Werkcommissie Inzake Technische Hulp aan Laag Ontwikkelde Landen (WITHALL) opgericht. In oktober boden zij de VN een rapport aan met een overzicht van vormen van technische hulp die Nederland zou kunnen leveren. Daarmee waren ze een van de eerste landen die daadwerkelijk hulp gingen beden in VN-verband. In 1951 groeide WITHALL uit tot de Interdepartementale Commissie voor Internationale Technische Hulp (ITH) en J.P. Bannier werd directeur van het uitvoerend bureau. De taken van ITH bestond uit het coördineren van hulpactiviteiten, uitzendingen van deskundigen en ontvangen van buitenlandse studenten.
 
In deze tijd van de Koude Oorlog was hulp aan arme landen voornamelijk bedoeld als strijd tegen het communisme. De Kadt, buitenland specialist van de PvdA, vond dan ook dat de PvdA duidelijk diende te maken dat de sociaal-democratie een betere boodschap had dan het communisme. Binnen de PvdA werd echter het uitgangspunt van internationale solidariteit (gebaseerd op de ethische onaanvaardbaarheid dat de helft van de wereldbevolking in armoede leeft), op zich zelf een belangrijk argument voor het geven van hulp. Het bedrag dat aan de hulp werd gegeven was echter laag: rond de 2 miljoen gulden. Alhoewel Nederland zelf natuurlijk ook niet zo ontzettend veel te besteden had, kwam binnen de PvdA toch de discussie over de uitgaven voor ontwikkelingshulp op gang. Op het PvdA-congres van 1955 begon Ruygers voor het eerst over de (inmiddels legendarische) 1% discussie. In de jaren vijftig speelde de publiek opinie nog geen rol in de discussie over ontwikkelingshulp, waar met de oprichting van de NOVIB in 1956 geleidelijk verandering in kwam.
 
Het jaar 1957 markeerde een belangrijke omschakeling in het denken over ontwikkelingssamenwerking: de verschuiving van het Oost-West-conflict naar Noord-Zuid-problematiek. Het belang van deze Noord-Zuid-dimensie werd niet direct door iedereen ingezien, maar partijvoorzitter Vermeer benadrukte tijdens het partijcongres dat jaar: "Hoewel hulp aan minder ontwikkelde landen inmiddels een modetrend is geworden, de achterliggende feiten van honger, ondervoeding en menselijke nood mogen nooit worden vergeten."
De hoogte van het hulpbedrag wordt door Ruygers wederom onder de aandacht gebracht. Echter, de bezuinigingen van het kabinet-Drees en de terugloop van het aantal leden maakten dat de PvdA het kiezerspubliek nog niet rijp achte voor de verhoging van de ontwikkelingshulp. Dit gebeurde pas in 1961, toen het het PvdA-congres het voorstel van Ruygers aanvaardde om 1% van het nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp uit te geven. De motie die daarop in 1962 in de Tweede-Kamer werd ingediend werd echter door een ruime meerderheid verworpen. Maar ondertussen maakte de PvdA plannen om binnen de partij mensen in ontwikkelingslanden te helpen. In 1959 heeft de Vrouwenbond het Fonds Internationale Solidariteit opgericht. De Federatie Jongeren Groepen richtte in 1961 het Uhuru-fonds op en de PvdA startte in dat zelfde jaar het Evert Vermeer Fonds.
 
Het ontstaan van de Evert Vermeer Stichting  
In 1962 besloten de PvdA en de Vrouwenbond om gezamenlijk een ontwikkelingsfonds op te richten. Uiteindelijk was het voorstel het fonds van de Vrouwenbond te handhaven en dat samen te beheren. De enige angst van de Vrouwenbond was dat de belangen van de vrouw langzaam maar zeker ondergeschikt zouden gaan worden. Ze besloten als eerste activiteit de Fakkeldragersdag in 1963 te organiseren met aansluiten de week voor internationale solidariteit. Op het laatste moment is ook de FJG actief mee gaan helpen met de organisatie van deze actie week.
 
In november 1963 werd in de PARAAT, de ledenkrant van de partij, aangekondigd dat het Fonds Internationale Solidariteit was opgericht door deze drie organisaties. De Vrouwenbond was echter helemaal niet tevreden over samenwerking met de PvdA tijdens de actieweek. Dit was niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de partij en maakte de angst voor het verliezen van de eigen identiteit alleen maar sterker. Daarom is uiteindelijk besloten voor het behoud van de drie fondsen, maar ze te laten samenwerken doormiddel van een overkoepelende stichting. Dit werd de Evert Vermeer Stichting voor internationale Solidariteit.
 
De doelstelling van de nieuwe stichting werd als volgt geformuleerd: "Het doel der stichting is de bevordering van een ontwikkeling in de richting van de democratisch-socialistische idealen in de onderontwikkelde delen van de wereld". Met de gemaakte conceptstatuten is vervolgens een jaar niets gedaan. Toen eind 1965 de onderhandelingen weer werden voortgezet werd besloten de drie fondsen op te heffen en het kapitaal als startkapitaal van de nieuwe stichting te gebruiken. Er werd besloten dat de stichtingsgelden voor 60% werd besteed aan vrouwenprojecten, 10% voor jongeren en 30% voor algemene doeleinden.

Het partijbestuur ging uiteindelijk toch niet akkoord met de conceptstatuten. De sociaal democratische idealen worden vervangen door zo mogelijk in sociaal-democratische richting. Ook de verdelingspercentages worden weer losgelaten, in plaats daarvan komt te staan dat een belangrijk percentage besteed zal worden aan de geestelijke ontwikkeling van vrouwen en dat de verschillende organisaties kunnen kiezen aan welke, door het bestuur goedgekeurde, projecten zij hun aandacht besteden en het geld dat daarvoor wordt binnengehaald zal daar ook aan worden besteed.

Uiteindelijk wordt op 1 februari 1967 de stichtingsakte getekend. De bestuurszetels over de organisaties worden, in tegenstelling tot wat eerder besloten was, gelijk verdeeld, iedereen twee. De voorzitter wordt Ruygers, daar was in eerste instantie protest tegen door de Vrouwenbond wegens zijn zitting in het partijbestuur, echter van wegen zijn persoon en grote kennis en ervaring hebben zij hier toch mee ingestemd.
 
De ontwikkeling van de EVS
In het begin waren de activiteiten van de stichting voornamelijk een voortzetting van de activiteiten van de drie aparte fondsen. Daarbij was het de Vrouwenbond die verreweg het meeste werk verzette. Wel werd een keer per jaar, op de dag van de arbeid, een gezamenlijk inzameling gehouden voor een bepaald project.

Door de grote inzet van de Vrouwenbond werd ontwikkelingswerk binnen de partij voornamelijk gezien als een vrouwen aangelegenheid. Ruygens is hier tegen in opstand gekomen. De internationale solidariteit hoort bij de Partij van de Arbeid en moet dus gedragen worden door de hele partij en niet alleen door de vrouwen. Het bestuur van de EVS meende dat de ongeïnteresseerdheid van de partij te wijten was aan de onbekendheid. Daarom is een grote brievenactie gehouden waar men geïnformeerd werd over de stichting en gevraagd werd om een bijdrage. De reactie hierop was bedroevend.

De EVS besloot zich meer politiek te gaan richten om beter aan te sluiten bij de interesse van de leden. Daarmee lieten zij hun streven los om zich niet te bemoeien met binnenlandse politiek van de hulpontvangende landen. De eerste politiek gekleurde actie die gevoerd werd was het steunen van de Afrikaanse bevrijdingsbewegingen in de door Portugal gekoloniseerde landen. Vervolgens is er een actie geweest ter ondersteuning van het regime van Allende in Chili.

De EVS concludeerde dat er meer aandacht aan PR gegeven moest worden als ze het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking willen bevorderen. Er moest dus tussen de projecten meer tijd besteed worden aan scholing en voorlichting. Uiteindelijk wordt zelfs de projectensteun min of meer naar de achtergrond geschoven. Op grond van een aantal geformuleerde criteria voor steun wordt de steun beperkt tot met name vrouwenbewegingen, vakbonden, vrijheidsbewegingen en linkse oppositiepartijen. Ook wordt de structuur zodanig veranderd dat de spil van de organisatie komt te liggen bij EVS-gewesten, die ondersteund worden door een EVS-secretariaat.

In de jaren zeventig worden de statuten aangepast, de nieuwe doelstelling bestaat uit twee punten. Ten eerste het steunen van activiteiten in de derde wereld die democratisering, sociale en politieke bewustwording en economische ontwikkeling bevorderen. Ten tweede het stimuleren van mondiaal denken en bewust worden van de hierboven genoemde problemen. De emancipatie van de vrouw wordt expliciet genoemd op verzoek van de Rooie Vrouwen, opvolger van de Vrouwenbond. In praktijk werd er echter niet veel aandacht meer aan geschonken. Rond deze tijd is het imago van de EVS als vrouwenclub ook vrijwel geheel verdwenen en het contact tussen de EVS en de Rooi Vrouwen verwatert.

De jaren tachtig stond in het kader van de Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO), dus dit was ook het uitgangspunt van de EVS in deze tijd. De NIEO-gedachte kan worden samengevat als het verminderen van de uit de koloniale tijd afstammende afhankelijkheid, het vergroten van de nationale welvaart en zeggenschap over eigen natuurlijke hulpbronnen, meer rekening voor de belangen van ontwikkelingslanden in de internationale politiek en het vergroten van steun aan ontwikkelingslanden in de vorm van vrij besteedbare hulp, aangepaste kredieten en betere voorwaarden voor hun handel. Elk jaar wordt er een speerpunt uitgehaald om de aandacht op te richten. In deze tijd wordt de EVS steeds meer een pressiegroep binnen de PvdA.
 
In de jaren 90 ontwikkelt de EVS zich steeds meer als een professionele NGO die druk uitoefent op publiek en politiek om de positie van mensen in ontwikkelingslanden te verbeteren. De regionale focus verschuift halverwege de jaren 90 naar Afrika (sub-Sahara Afrika). Hoewel er in Azië en Latijns Amerika ook nog steeds grote groepen mensen in armoede leven, lijkt er daar toch meer kans op positieverbetering dan in Afrika het geval is.  



print deze pagina mail a friend